Als je LED-lampen zacht blijven branden nadat ze zijn uitgeschakeld, kan dit te maken hebben met de aansluiting of instelling van de dimmer. Volg de onderstaande stappen:
-
Controleer de aansluiting van de LED-lampen:
Zorg ervoor dat de lampen correct zijn aangesloten op de dimmer. -
Controleer de dimmerinstellingen:
-
Als je dimmer zowel fase-aansnijding als fase-afsnijding ondersteunt, moet je de juiste methode instellen.
-
De keuze hangt af van de werking van de lamp: is het een fase-aansnijdingslamp of een fase-afsnijdingslamp? Stel de dimmer hierop in.
-
-
Gebruik een dimstabilisator indien nodig:
-
Blijven de lampen zacht branden nadat de dimmer correct is ingesteld? Dan kan een dimstabilisator helpen.
-
Deze zorgt ervoor dat de resterende energie die de lampen laat nagloeien wordt verwijderd.
-
Plaats de dimstabilisator tussen de schakeldraad en de nuldraad bij de lamp:
-
Sluit één kant van de dimstabilisator aan op het kroonsteentje van de nuldraad.
-
Sluit de andere kant aan op de grondlast in het kroonsteentje van de schakeldraad.
-
-
Tip: Door het gebruik van een dimstabilisator stroomt er geen resterende energie meer door het circuit, waardoor de lampen niet langer zacht blijven nagloeien.