Als je LED-lampen zacht blijven branden nadat ze zijn uitgeschakeld, kan dit te maken hebben met de aansluiting of instelling van de dimmer. Volg de onderstaande stappen:
Controleer de aansluiting van de LED-lampen:
Zorg ervoor dat de lampen correct zijn aangesloten op de dimmer.Controleer de dimmerinstellingen:
Als je dimmer zowel fase-aansnijding als fase-afsnijding ondersteunt, moet je de juiste methode instellen.
De keuze hangt af van de werking van de lamp: is het een fase-aansnijdingslamp of een fase-afsnijdingslamp? Stel de dimmer hierop in.
Gebruik een dimstabilisator indien nodig:
Blijven de lampen zacht branden nadat de dimmer correct is ingesteld? Dan kan een dimstabilisator helpen.
Deze zorgt ervoor dat de resterende energie die de lampen laat nagloeien wordt verwijderd.
Plaats de dimstabilisator tussen de schakeldraad en de nuldraad bij de lamp:
Sluit één kant van de dimstabilisator aan op het kroonsteentje van de nuldraad.
Sluit de andere kant aan op de grondlast in het kroonsteentje van de schakeldraad.
Tip: Door het gebruik van een dimstabilisator stroomt er geen resterende energie meer door het circuit, waardoor de lampen niet langer zacht blijven nagloeien.